donderdag 8 april 2010

Nieuwe Literaire Quiz (1)


De spoeling wordt inmiddels wel erg dun voor de Literaire Trotski Quiz, en om te voorkomen dat het spel langzaam doodbloedt door met steeds grotere tussenpozen op het web te verschijnen, hebben we in onze eigen wijsheid besloten een nieuwe literaire quiz in het leven te roepen. Geen onderwerp in de titel, want dat kan variëren – al zullen de eerste paar afleveringen gewijd zijn aan de pugilistiek in de letteren, omdat we ons daar op het moment mee bezighouden. De Nieuwe Literaire Quiz zal dus onderwerptechnisch gezien aansluiten op onze particuliere actualiteit. En zo is het. Om even warm te worden een gedichtje dat Karel afgelopen 1 april (heus waar) in de schoot geworpen kreeg, met dank aan qwerty.

dankzij het toetsenbord

het is maar goed
dat bep van klaveren
niet meer leeft

want wie weet
hoe hij reageren zou
op mijn tikfout

nep van klaveren


En dan nu de eerste opgave. Ziehier de vragen:
1. wie schreef onderstaande hilarische passage die de redactie in Groningen nog altijd doet huilen van het lachen; en
2. aan welk oorspronkelijk Nederlandstalig verhaal werd het citaat ontleend?

‘Armando’ was ook een enorme boksfan. Hij schreef gedichten in de vaktaal der pugilisten, neusde altijd in geïllustreerde boksblaadjes, stond af en toe vanachter zijn bureau op en maakte een paar snelle schijnbewegingen tegen de staande kapstok en aan de muur van zijn atelier hingen bokshandschoenen. Hij trainde bij mij aan de overkant bij de sportschool in de Jodenhouttuinen. Op zekere dag mocht ik hem zien sparren. Er was een fotograaf uitgenodigd want er moest een foto op de achterkant van zijn nieuwe gedichtenbundeltje. Toen we de sportschool binnenkwamen was er alleen een woeste bouwvakker die driest tegen de zandzak beukte. ‘Is Pietje er niet?’ vroeg ‘Armando’ onzeker. De sparring-partner waarmee hij afgesproken had bleek al naar huis. ‘Laten we het dan volgende week doen,’ stelde ‘Armando’ voor maar toen bleek de fotograaf niet te kunnen. ‘Je kunt toch ook met hèm sparren voor de foto?’ stelde ik voor, knikkend naar de rauwdauw die zijn onmin uitleefde op de zandzak. Verwijtend keek ‘Armando’ mij aan en verdween heel langzaam naar de kleedkamer. Intussen had de fotograaf aan de actieve bokser uitgelegd wat de bedoeling was. Dat was geen enkel punt en hij stond al in de ring, dreigend in de lucht stotend. Toen ‘Armando’ uiteindelijk onvast verscheen was het bijna donker en moest de fotograaf flitslicht gebruiken. ‘Armando’ stond nog geen twee seconden in de ring of hij was in de hoek gedreven en had een bloedneus. ‘Niet fotograferen!’ siste hij naar de fotograaf die kwiek meesprong.

‘Armando’ hield even pauze om zijn neus te betten en wij probeerden de hardnekkige stormram bij te brengen dat het hier de achterkant van een modern dichtbundeltje betrof. Hij begreep het en binnen twee tellen was ‘Armando’ weer in de hoek geslagen en hield hij beschermend de armen om zijn hoofd. De tegenpartij bleef doorrammen maar keek daarbij met een glamoureuze glimlach ditmaal in de lens, terwijl uit de ineenkrimpende dichter-schilder gedempte kreten klonken. Zwijgend stonden wij gedrieën later op straat. Armando had reeds besloten dat een oud portret op de achterkant van zijn bundeltje ook niet zou misstaan. Ik stelde voor een pilsje te gaan drinken. ‘Lachen is tijdverlies,’ knorde de Heerser en verdween sikkeneurig met zijn sporttas in de duisternis.

5 opmerkingen:

Anoniem zei

Het gedicht (weet ik zeker): Karel ten Haaf.
Verhaal (gokje): Ik Jan Cremer (tweede boek)

Marjan zei

Ik dacht heel even Jan Cremer, maar die heeft, dacht ik, de geest niet om woorden als rauwdauw, kwiek, driest beuken en sikkeneurig zo treffend te plaatsen.
Het lijken mij de memoires van een uitgever met groot schrijftalent (uitgever vanwege de aanhalingstekens rond Armando) dus eh... Peskens?

Marjan zei

Ach jee, reageer ik toch tegelijkertijd met Anoniem! Die mij onmiddellijk weer aan het twijfelen brengt. Toch Jan Cremer? Dan ga ik het direct weer eens lezen.

Stormblast1953 zei

De Hunnen van Jan Cremer, voor
98% weet ik het zeker

Kortsluiting zei

Allemaal een beetje goed (Jan Cremer) en een beetje fout (de genoemde titels). De passage is afkomstig uit het verhaal 'Artisieke herinneringen', dat werd opgenomen in Jan Cremer's Logboek (Peter Loeb, Amsterdam 1978).