Posts tonen met het label Lezendarisch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lezendarisch. Alle posts tonen

donderdag 26 maart 2015

Handeling (een vaag begrip van deze)



Eindelijk hebbes! Deze week verworven:

En waarom is dat zo interessant? Aan de hand van een voorbeeld. Bij deze studie hoort een bijlage.

Daarin per pagina vier foto’s. Dat ziet er dus zo uit.

Het gaat mij in dit geval, voor dit voorbeeld, om plaatje nummer 44.

In het rapport zelf, in ‘Hoofdstuk VII. De afwijkingen bij het woordenschatonderzoek’ (in het deel getiteld ‘A. De afwijkingen (behalve de uitspraakfouten)’), deze paragraaf behorende bij foto 44:

Bovenstaande boekuitgave van de resultaten van een onderzoek uit 1938 verscheen in 1939.
In 1973 verscheen dit boekje van C.B. Vaandrager:

In dit boek een bewerking van de teksten uit het Rapport, keurig hetzelfde genummerd. Hier 44:

En daarom is dat zo interessant. Niet alleen voor de Vaandragervorser, maar voor iedereen die geïnteresseerd is in hoe poëzie kan ontstaan.

zaterdag 14 mei 2011

Zoek de verschillen


Echt gelezen - wij bedenken niets zelf:

“Maarten 't Hart (pseudoniem voor Maarten Biesheuvel) is geboren te Maassluis in Zeeuws-Vlaanderen op 25 november 1944.”

zaterdag 25 juli 2009

Marcel van Maele (1931-2009)


In 1978, ik was zestien, kocht ik mijn eerste Marcel van Maele bundel: Met een ei in bed (Paris-Manteau, Amsterdam-Brussel 1973). De titel verleidde mij tot aanschaf, maar de titel bleek veel cryptischer dan ik had gedacht. Ik denk dat het de eerste hermetische poëzie was die ik onder ogen kreeg; en hoewel (of omdat?) ik er geen zak van begreep, vond ik het hoogst fascinerend. De eerste verzen van deze bundel:

Zich met kloppend hart verbaasd vergapen :
beroepsweelde, huisgezwam
(o onze geborgenheid : borgsom schandpaal).

Van liefde gebeten, van lotje getikt,
kruipt hij, de metaalslak,
in een roes van duizend bliksems ratelend de vuurdoop uit
en staart vanuit dat onbeweeglijk gebeuren
naar de lachende lokkende maan.

Dag proefkonijntje,
dag rilsoldaatje,
we hebben voor jullie een leuke beloning,
verpakt als verrassing,
bedacht en bewaard
o.a. rioolrollen en boompje duwen
en vele vermakelijkheden meer.

Wie het weet mag het zeggen. Maar wel aardig dat ik dit gedicht herlees in de week waarin het veertig jaar geleden is dat de mens voet zette op de maan.
Na deze bundel volgden nog ettelijke aanschaffen, ondanks mijn onbegrip, dankzij de speelse taal. Ik tel in mijn boekenkast naast Met een ei in bed nog drie dichtbundels, drie romans en het boekje Vreemdsoortige cocktails – Van Maele scheen bekend te staan om zijn dodelijke alcoholische mixen.
Of hij uiteindelijk gestorven is aan de gevolgen van het nuttigen één zijner zelfgeconcipieerde cocktails betwijfel ik, feit is wel dat hij gisteren, 24 juli, overleed. Laten wij Marcel van Maele uitlui doen met het slot van zijn roman Scherpschuttersfeest (A. Manteau n.v., Brussel/Den Haag 1968), geschreven in een stijl die typerend is voor de experimentele Vlaamse letteren van de late jaren zestig van de vorige eeuw; een meesterlijk staaltje barok en muzikaal proza:

Lieve Lezer,
Ik zal met mijn gekwetste woorden niet dieper dringen in de baarmoederwonde. Ik woord de wenteldagen door. Trilloos. Bloedloos. Pijnstillende stilte bij dat schrijven hier, de laatste gegevens herwerkend tot een kringloop wanhoop. Wij zijn allen tot aan de tanden gewapende lieve diertjes meehuilend en meemarcherend in een allesvernietigende opmars. De overwinning grijnst. En ik zal de vrijheid met een kleine v schrijven omdat de vrijheid niet bestaat. En over het gladgeschoren oefenveld: een rode gloed van witte bloedcellen, een stamelen van onmacht en onverdraagzaamheid. De eeuwige haat. Ik kus jullie vermorzelde hoofden voor de allerlaatste maal.

woensdag 4 maart 2009

Vorm en inhoud


Het Dagblad van het Noorden heeft een erg leuke rubriek: iedere dinsdag plaatst de courant een gedicht, speciaal geschreven voor het stadskatern, over de buurt of straat van de poëet van dienst. Gisteren was het de beurt aan Kortsluiting-Groningen. Hier zijn ervaringen:

Enkele weken terug werd ik benaderd door Rense Sinkgraven, uit wiens koker Dichter op de stad kwam in de periode dat hij nog stadsdichter was. Hij vroeg mij of ik ervoor voelde een gedicht te leveren. Het mocht 24 regels zijn, inclusief kop en witregels. Ik zegde toe. Al gauw had ik een idee waarover het gedicht moest gaan: zowel over de straat waarin ik woon, de Oude Boteringestraat, als over het huisje van de Verloofde en mij op Piccardthof, het “volkstuinencomplex” bij het Stadspark waar ik zowat de gehele zomer zonovergoten gelukkig ben.
De inhoud kwam mij steeds duidelijker voor de geest te staan, en maandag 23 februari zette ik mij aan het schrijven – d.w.z. aan het uitwerken en combineren van de reeds gemaakte notities.
Tijdens het schrijven, waaraan ik maandag en dinsdag meerdere uren besteedde, kreeg het gedicht ook een steeds dwingender uiterlijke verschijningsvorm: als basis de lay-out van een krantenartikeltje, reden waarom ik koos voor de letter times. Het gedicht werd langer dan de 24 regels die ik ter beschikking had, en om dat op te lossen mat ik hoogte en breedte van de ruimte die mij was toebedacht, en maakte in die verhoudingen het gedicht op. Met enig schuiven kreeg ik het zelfs voor elkaar om in de korte periode van gelukzalige rust middenin het gedicht meer wit te verwerken, zodat de inhoud visueel werd ondersteund. Ook zorgde ik dat iedere regel zodanig afbrak, dat lezing op meerdere manieren mogelijk werd.
Op donderdag belde ik om te informeren of ik niet een pdf kon insturen, zodat mijn visuele gedicht goed in de krant zou komen, verkleind naar passend believen. Een pdf in de krant, dat kon niet. Maar als ik nou een pdf’je meestuurde als voorbeeld, dan zorgde men ervoor dat het zo in het Dagblad zou komen. Toch niet helemaal gerust op de goede afloop, mailde ik mijn donderdagavond nog eens geheel doorgewerkte bijdrage reeds vrijdag rond de noen, waarbij ik onder andere schreef:
“Hierbij mijn gedicht, zoals het er uit moet gaan zien - als dit niet kan: niet plaatsen, dan maak ik een nieuw vers. Want de vorm maakt hier deel uit van het gedicht.
Bijgaand twee bijlages: een word-bestand, en een pdf'je (kan men zien hoe ik wil dat het eruit ziet). Misschien een idee om mij een opmaak-proef te mailen ter controle?
Ik zal wel lastig zijn, maar daar ben ik dichter voor.”

Mocht plaatsing in deze vorm problemen opleveren, dan had ik nog het hele weekend om een nieuw gedicht te schrijven. Maar al snel kreeg ik een reactie: geen probleem.
Maandagochtend, op mijn werk, telefoon: het gedicht kon er zo niet in, had men Rense gemeld. Ik het Dagblad bellen; na kort telefonisch overleg met de man die de bewuste pagina ging vormgeven kreeg ik de verzekering: geen probleem, het kwam allemaal goed. En de volgende morgen, dinsdag 3 maart, stond dit in de krant (vergezeld van, dat dan weer wel, een mooie foto – zie boven – gemaakt door Corné Sparidaens):

Voor wie vindt dat ik een zeikerd ben, dat de inhoud toch correct is weergegeven (ik zie even af van de inhoudelijke verarming die ontstond door het wegvallen van de gecomponeerde meerduidigheid-door-bewuste-regelafbreking-in-de-originele-opmaak): onderstaande twee afbeeldingen hebben weliswaar min of meer dezelfde inhoud, toch vind ik de vorm waarin die inhoud mij wordt voorgeschoteld beslist niet onbelangrijk.


Rense, die in deze gehele geschiedenis trouwens geen enkele blaam treft, heeft mij toegezegd, dat in een eventuele boekuitgave van Dichter op de stad, mijn gedicht zal worden opgenomen in de door mij bedoelde vorm.
En daarmee is deze zaak voor mij nu afgedaan.

vrijdag 6 februari 2009

Snacks en rubber




Straks begint de Nacht van het Condoom. Waar ik gisteren vergeten ben stil te staan bij de vijftigste verjaardag van de frikadel, één der verrukkelijkste uitvindingen ooit, daar zal ik heden niet verzuimen de lof van het kapot te zingen.



Dit gedicht, oorspronkelijk gepubliceerd in de eigenbeheer uitgave iedereen is alleen (Rottend Staal Publicaties, Groningen 1996), later opgenomen in de nog steeds verkrijgbare bundel meisjespijn (Uitgeverij Passage, Groningen 2007), is een reactie op een hanenzang van Riekus Waskowsky:
[Riekus Waskowsky – wie het eerste z’n stenen kwijt is (De Bezige Bij, Amsterdam 1970)].
Verder zit er natuurlijk een verwijzing in naar de bundel Duizenden Zonsondergangen (De Bezige Bij, Amsterdam 1971) van Hans Verhagen, waarin ook een gedicht is opgenomen met de titel ‘In de duinen’:

Voorts bevat het gedicht een knipoog richting Peter AndriesseZuster Belinda en het geheime leven van Dokter Dushkind (De Bezige Bij, Amsterdam 1971), een roman die opeens zeer actueel is, daar het Groninger café De Kachel vandaag voor de rechter verschijnt wegens het ontduiken van het rookverbod, en alle personen in het boek van Andriesse vernoemd zijn naar een sigarettenmerk. Maar genoeg hierover, het is niet aan mij om mijn eigen werk uit te leggen.
Nu ik het toch over reacties op andermans gedichten heb: in de onlangs verschenen bundel Meesterwerk (Uitgeverij Passage, Groningen 2009) reageren zevenendertig jonge dichters middels een gedicht op het werk van hun voorbeelden. Het is natuurlijk raar om die bundel hier uitgebreid te bespreken, want hij werd samengesteld door mijn blogbroeder Daniël Dee. En hoewel Daniël zal vinden dat zulks niet heurt, en ik de kans loop dat hij deze zin van ons weblog verwijdert, wil ik hier toch graag opmerken dat zijn reactiepoëem op een gedicht van C.B. Vaandrager van grote schoonheid is: Vaandrager zelf zou het geschreven willen hebben.

zaterdag 31 januari 2009

Bibliofielen


Op het weblog van het Artistiek Bureau schrijft De Directeur over wat hij noemt “het mishandelen van boeken”:
“Sommige zelfverklaarde bibliofielen kunnen het niet laten. Ik maakte onlangs mee dat iemand een luxe Slauerhoff kocht, in een sjieke perkamenten band, een kleinood van een paar honderd euro. De nieuwe eigenaar haalde vervolgens zijn balpen uit de binnenzak en schreef vol trots zijn naam op de Franse titelpagina. Ik heb op mijn tong gebeten. Stond erbij en keek ernaar.”
Hij raakt hier aan een interessante discussie, die zelden gevoerd wordt. Zijn mensen die hun naam in boeken zetten per definitie niet bibliofiel? Het antwoord op deze vraag hangt af van hoe je een boek beschouwt: is het een cultuurdrager, of een zelfstandig kunstobject? De Directeur gaat het duidelijk om het object zelf, terwijl ik, Kortsluiting-Groningen, het boek zie als cultuurdrager.
De Verloofde durft mijn boeken niet open te slaan, uit angst dat ik haar mijn leven uitschop wanneer zij een boekrug breekt. Volgens haar ben ik ernstig bibliofiel. En ze heeft gelijk: ik behandel mijn boeken zo voorzichtig mogelijk; maar niet omdat ik het object “heilig” acht, doch omdat ik wil dat het zo lang mogelijk behouden blijft als cultuurdrager – voor volgende generaties. Ik behandel het ding dus goed, opdat de inhoud zo lang mogelijk bewaard blijft. Er steekt wat mij betreft dan ook absoluut geen kwaad in, om in elk van mijn boeken op het schutblad dan wel de Franse titelpagina niet alleen mijn naam te schrijven, maar ook de maand waarin ik het in bezit kreeg. Sterker nog: als anderen, voor mij, dat ook gedaan hebben, dan vergroot dat de waarde zelfs voor mij. Zo heb ik bijvoorbeeld een aantal boeken uit de collectie van wijlen Ger Harmsen in mijn bezit – en het is wellicht interessant voor volgende lezers om te zien dat een exemplaar van de eerste druk van de driedelige Trotski-biografie van Isaac Deutscher eerst in het bezit was van de stalinist Ger Harmsen, en vervolgens terecht kwam in de boekenkast van de trotskist Karel ten Haaf. Min of meer hetzelfde geldt voor het deze week door mij verworven exemplaar van de door Jef Last geschreven dichtbundel Twee werelden: de aanblik van mijn naam op de door Jef Last gesigneerde Franse titelpagina zal de bibliofiele De Directeur waarschijnlijk welhaast fysiek pijn doen omdat hij vindt dat het boek nu niets meer waard is; naar mijn bibliofiele mening is het object juist interessanter geworden, want het draagt meer geschiedenis met zich mee.
Kortom, De Directeur: we zijn allebei bibliofiel, maar elk om een andere reden en dus op een andere manier.

dinsdag 27 januari 2009

Gerard Fieret (1924-2009)

Afgelopen donderdag, 22 januari, overleed de Haagse dichter Gerard Fieret op de leeftijd van 85 jaar. In de dikke Komrij komt hij niet voor. In mijn kast kon ik slechts één gedicht van hem vinden, gebloemleesd door Paul Rodenko in het uit 1954 stammende nieuwe griffels schone leien, een “bloemlezing uit de poëzie der avant-garde”.

Pas bijna twintig jaar later, in 1973, verscheen zijn debuut De trommel van de vrijbuiter (Bert Bakker), in 1980 gevolgd door De lasso van de minnaar (Nijgh en Van Ditmar). Hierna verschenen zijn bundels in eigen beheer.
Het leven van Fieret werd er niet gemakkelijker op: hij leed aan paranoia. Alles wat hij maakte werd door anderen gestolen, die vervolgens beroemd werden met zijn werk. ‘De gewone burger is zich er misschien niet zo van bewust,’ vertelde hij in 2006 aan Trouw-journaliste Esther Hageman, ‘maar er is een heel netwerk, van de kunst naar de hogere regionen van de ambtenarij, dat het werk van de echte kunstenaars steelt.’
Uit hetzelfde artikel van 29 juni 2006:
“Neem zijn gedichten. Zat hij, in de eerste jaren na de oorlog, in café De Posthoorn op het Lange Voorhout aan een gedicht te werken - waar het toen nog bruiste van kunstzinnigheid. Ging hij eventjes naar de wc. Liet hij zijn schriften dus op de leestafel liggen. Zat verderop aan die leestafel een jongeman, zo'n Brylcreem-boy, met een lucht om zich heen van hier naar Groningen. Komt Fieret terug van de wc. Is die jongen weg, maar Fierets stapel gedichten ook. Gaat Fieret naar de barman: weet die waar zijn schriften zijn gebleven? Je moet zelf op je spullen letten, zegt de barman. Verschijnt een tijdje later een bundel gedichten die ‘Het innerlijk behang’ heet. Waren die zogenaamd geschreven door een of ander miljonairszoontje uit Wassenaar, Hans Lodeizen. Terwijl dat dus gewoon Fierets werk is.”
Behalve dichter, was Gerard Fieret een begenadigd fotograaf. Om te voorkomen dat zijn foto’s gestolen zouden worden, zette hij er een copyrightstempel op, vaak meerdere malen.
In De Hallen in Haarlem, is van 18 maart t/m 1 juni aanstaande een tentoonstelling vrouwenportretten van Gerard Fieret.
Over de dichter/fotograaf maakten Wieteke van Dort en Henk Augustijn deze korte documentaire, waarin de poëet ook enkele van zijn verzen voordraagt:

maandag 26 januari 2009

Van Nijlande naar heelal


Nog voor de eerste maand van het jaar om is, moet ik terugkomen op mijn voornemen alle in 2009 door mij gelezen boeken te becommentariëren op dit blog. In de eerste plaats: hoe definieer je “gelezen boek”? Dat ik in het kader van het Darwin-jaar gedeeltes herlees uit Trotsky’s Notebooks, 1933-1935. Writings on Lenin, Dialectics and Evolutionism, of dat ik uit Daniel de Lange – Willem de Zwijger en andere opstellen een verhandeling lees over Rosa Luxemburg, terwijl ik de rest van het werk hapsnap doorneem – is dat het lezen van een boek? En wat heeft het voor zin een niemendalletje als Karel heeft echt bestaan van Arnon Grunberg te bespreken, of een als cahier uitgegeven artikel van Igor Cornelissen – Borgtochtelijk lijden. Het korte leven van J.K. van Eerbeek? Wie zit er te wachten op een bespreking van Richard Grunberger – Red rising in Bavaria, een studie uit 1973, of van Grondslagen en problemen der nieuwe kultuur in Sowjet-Rusland van Henriette Roland Holst-Van der Schalk uit 1932? Niemand niet! En dat antwoord is meteen het bruggetje naar de poëzie.


Vorig jaar verscheen het (Nederlandstalige) debuut van Erik HarteveldDe eeuwig zoemende vliegenstrip (Uitgeverij kleine Uil, Groningen 2008), een ijzersterke bundel waarin de dichter extrapoleert van het verwonderende hele kleine (geboortedorp) naar het onbevatbaar reusachtige (heelal). Normaalgesproken geen liefhebber van gedichten over de jeugd van een schrijver, vind ik ze in deze bundel volkomen op hun plaats, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel, van de compositie. Zo wordt in het derde gedicht

Wij krijgen breuken
in de derde klas.
Wat tot voor kort
ondeelbaar was
bestaat niet als geheel.

De wereld valt uiteen:
de liksteen op het land,
het schrikdraad en wijzelf
staan in een nieuw verband.

[p. 9]

op haast kinderlijk eenvoudige wijze weergegeven, hoe kennis je kijk op de wereld niet alleen verandert, maar tevens de wereld vergroot. Dat getallen kunnen worden opgedeeld, verruimt de blik van de derdeklasser, en het inzicht dat de wereld niet ondeelbaar is maar de som der delen, maakt tevens de geest rijp voor uiteindelijk de kwantummechanica. Hoe kleiner de samenstellende delen, hoe groter de wereld. De nieuwe blik richt zich echter niet alleen naar binnen, naar het kleinste deel(tje), maar verwijdt zich ook richting heelal: de som van alle delen. Kennis verandert alles rigoureus, gedachten en inzicht schieten met een noodgang alle kanten op. De bundel als big bang – al lijkt ook Harteveld, getuige de laatste strofe van het gedicht

Ruimtevaart

Ergens moet er niets bestaan,
we komen er vandaan.

Er is geen gewicht,
geen donker en geen licht,
geen woord geen zin.

Wat trekt ons deze ruimte
zonder einde of begin?

[p. 37]

vraagtekens te zetten bij die theorie (altijd fijn, mensen die niets voor zoete koek slikken maar een onderzoekende, wetenschappelijk geest hebben); tenminste wanneer je de zin interpreteert zoals ik: heeft het heelal niet alleen geen begin in ruimtelijke zin, maar evenmin in de tijd?
Wat moet ik verder over De eeuwig zoemende vliegenstrip zeggen? Misschien dit: als ik niet uit principe altijd weigerde om zitting te nemen in literaire jury’s en deel uitmaakte van zo’n commissie, dan zou ik deze bundel onmiddellijk bekronen met welke prijs dan ook.

zondag 18 januari 2009

Bergman (1921-2009)


Op de dood van de Haagse voornaamloze dichter Bergman geattendeerd door het Artistiek Bureau, bedacht Kortsluiting-Groningen zich dat hij [wordt nu de zin minder afstandelijk hernomen:] bedacht ik mij dat ik een bundel van de verscheiden poëet in de kast had staan. Mezelf lovend voor mijn alfabetisch op schrijver ingedeelde boekenkast, greep ik meteen raak: het in de reeks “De Boekvink” uitgegeven bundeltje Kamerbreed (Em. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam 1977). Aangeschaft juni ’81, zo staat rechtsbovenaan op de Franse titelpagina vermeld. De bundel herlezen, na bijna achtentwintig jaar. En aangenaam verrast door de nuchtere toon en de onopgesmukte woorden. Zoals bijvoorbeeld in het slotgedicht van de bundel (p. 40):

de maan schijnt over het water
wat doet het er toe
nu jij geen sjoege
en de kroeg geen krediet geeft

Ach ja, de zwarte romantiek – fijn leesvoer. Ik kan me helemaal vinden in de blurb van C. Buddingh’ (over de bundel De inhoud van het oppervlak) die op het achterplat van Kamerbreed werd afgedrukt: “zijn beste gedichten kenmerken zich door een frappante kwasi-nonchalance die verkwikkend aandoet naast veel zwaarwichtig hedendaags gesteun en opgeschroefd gejeremieer.”
Uit Kamerbreed (p. 32):

wat weet ik van de dood
hij komt
zo goed en kwaad
nog niet
hij komt
eer het te laat is
en altijd te vroeg

Bergman (pseudoniem van Aart Kok) is 87 jaar geworden.
De herlezing van mijn enige Bergmanbundel deed me besluiten om over te gaan tot de aanschaf van meer van zijn dichtwerk. En zo is het bewijs geleverd: er is lezen na de dood.

vrijdag 16 januari 2009

Tweelingen (geen astrologie)


Dit deel van mijn leeservaringen 2009 heeft even op zich laten wachten, maar ja: Kortsluiten is niet mijn enige bezigheid. Zo zit ik ook nog de halve week te bellen voor de baas – ‘Goedemorgen/-middag/-navond/-nacht, UMC Groningen’ – en is er mijn reguliere schrijfarbeid waarover het volgende goede nieuws te melden valt: na een overleg met mijn uitgever, staat het verschijnen van de volgende twee boeken vast: een bloemlezing concrete en visuele poëzie (ziet waarschijnlijk het licht vlak voor of op de gedichtendag in januari 2010) en een roman (waarvoor een plaatsje vrijgehouden wordt in de voorjaarsaanbieding 2010).

Gauw terug naar Schiermonnikoog nu, waar ik de midweek besloot met het lezen van Graa BoomsmaDubbelspoor. Tweelingen in de 20ste en 21ste eeuw (Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2007). Interessant en onderhoudend boek, waarin de geschiedenis van de afgelopen eeuw wordt behandeld aan de hand van de levensgeschiedenissen van negen tweelingparen. Boomsma kiest ervoor, in navolging van de Britse (marxistische) historicus Hobsbawm, de twintigste eeuw te laten beginnen bij de Eerste Wereldoorlog. Dubbelspoor eindigt in het heden, met een portret van de enge en helaas machtige Poolse tweeling Jaroslaw en Lech Kaczyński. Door de persoonlijke geschiedenissen van de broeder- en zusterparen te koppelen aan de “grote” geschiedenis, slaagt Boomsma erin je de geschiedenis te laten voelen, komt de eeuw je dicht op de huid. Dat “voelen van de geschiedenis” is sowieso het aantrekkelijke van het genre der (politieke of sociale) biografie, dat gelukkig de laatste jaren aan een opmars bezig is in ons taalgebied. Ik raad dit boek van harte ter lezing aan, ook al laat Boomsma zich mijns inziens wel erg leiden door de individualistische tijdgeest waar hij kritiekloos partij kiest voor de invloed van nature (erfelijkheid) en die van nurture (opvoeding en omgeving) wel erg ondoordacht van tafel veegt: “Dat nature heerst over nurture is een inzicht dat al in proefschriften van voor de Tweede Wereldoorlog werd geformuleerd.” (p. 10) Waarschijnlijk wel inziend dat deze zin net zo waar is wanneer nature en nurture van plaats wisselen, waarmee precies het tegenovergestelde wordt beweerd – net zo nietszeggend overigens –, geeft Boomsma een toelichting in een noot:
“Harold Snieder toont in Genetische epidemiologie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Een onderzoek bij tweelingen van middelbare leeftijd (1996) aan dat gemeenschappelijke omgevingsinvloeden nauwelijks van invloed zijn op risicofactoren voor hart- en vaatziekten, waardoor preventie zich slechts kan richten op gedrag (sport, voeding, roken, drinken).” (p. 231)
Veel te kort door de bocht, want: al dan niet sporten, gezond eten of regelmatig naar de snackbar gaan, roken en de onmatige consumptie van alcoholhoudende dranken – dit zijn allemaal zaken die voor een groot deel worden bepaald door sociale omgevingsfactoren.
Om misverstanden voor te zijn: ik beweer niet dat nurture bepalender is dan nature. Op basis van de huidige stand van onderzoek (voorzover ik als leek daarvan op de hoogte ben), lijkt mij vooralsnog een verdeling nature-nurture van fifty-fifty de meest houdbare stelling. Een dubbelspoor zeg maar.

zondag 11 januari 2009

Lezendarisch 2009 [2]


Vandaag het één na laatste boek dat ik mee had naar Schiermonnikoog: Jerry GoossensVreeland (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2008). Een roman “inclusief soundtrack”: “Freeland” door “The Group”. Tja. Ik had dit werk gelukkig aangeschaft zonder al te hooggespannen verwachtingen, als lekker vakantieboek ter ontspanning; en bovendien wil ik natuurlijk een beetje op de hoogte blijven van de nieuwe Nederlandstalige literatuur. Over het literaire gehalte van deze roman


het volgende. De compositie is krankzinnig: het opeens wisselen van vertelperspectief en de plotselinge flashbacks zijn kunstgrepen die geen ander doel hebben dan het de schrijver op de makkelijkste manier in staat stellen om bepaalde informatie nog even onder de pet te houden teneinde de spanningsboog van het verhaal te kunnen oprekken. Op zinsniveau strijden om voorrang: clichés en slechte beeldspraken (“En al die tijd gleden zijn ogen als natte sponzen over haar borsten.” [p. 27]; “het product Meike Edelkoorts moest een glimmende, uit hard plastic gegoten, luxe, soft-core sekspop worden; een karikatuur van het meisje dat ze was, waarbij haar seksualiteit werd uitvergroot als de neus aan het mombakkes van een politicus op een spotprent.” [p. 29]). Het verhaal is bijzonder onwaarschijnlijk (one-hit-wonder van jaren her gaat naar Afghanistan om de moordenaars van zijn neefje eigenhandig terecht te stellen) – dat hoeft geen probleem te zijn natuurlijk, maar nergens uit het boek blijkt dat het bedoeld is als onwaarschijnlijk. En de psychologie is hier en daar ronduit lachwekkend: een in Nederland beroemde welgevormde jongejuffrouw die zich in een minibikini laat fotograferen voor de cover van een ranzig weekblad (Goossens was trouwens enige tijd adjunct-hoodredacteur van de Revu), voelt zich korte tijd later bevrijd door het dragen van een boerka (“dit is een magisch kledingstuk, een object uit een sprookjesboek. Als ik het draag heb ik het gevoel volstrekt onzichtbaar te zijn.” [p. 232]) en besluit zich in het door de taliban geregeerde Afghanistan te vestigen.
Om positief te eindigen: wie een boek zoekt om zich bij te ontspannen, en zich niet druk maakt om clichés, mislukte beeldspraken, een onwaarschijnlijk verhaal, psychologie van lik-mijn-vestje en compositorische onmacht; hij of zij vindt deze roman wellicht best aardig.

Bij het boek hoort een cd: “Freeland: songs inspired by the novel Vreeland. Composed by Spinvis, Maurits Westerik (GEM), Anne Soldaat (Daryll-Ann / Do-the-undo), Marien Dorleijn (Moss) and Ronald Visser (Comedown / Faraways). Performed by The Group.”
The Group bestaat uit: Ronald Visser, Anne Soldaat, Maurits Westerik, Cor van Ingen, Jeroen Kleijn en “Additional musician” Marien Dorleijn.
Ik heb het schijfje zojuist beluisterd. Tja. Ik ben blij dat ik geen muziekrecensent ben.

zaterdag 10 januari 2009

Lezendarisch 2009


Onlangs kwam mij ter oge dat er mensen zijn, die bijhouden hoeveel boeken ze lezen. Ik neem aan dat ze ook noteren welke boeken het betreft. Dat bracht mij op een idee: als ik, Kortsluiting-Groningen, dit jaar nu eens digitaal verslag ga doen van mijn boekenleeservaringen – dus opschrijven wat ik gelezen heb. En om het wat minder saai te maken, zal ik die opsomming vergezeld laten gaan van een oordeel over elk boek.
Om te beginnen dan maar de boeken die ik las tijdens de afgelopen midweek op Schiermonnikoog. Wat ik dit jaar las voorafgaand aan deze korte vakantie, probeer ik te reconstrueren voor een volgend blogje. (Heerlijk, dit idee – nooit meer wanhopig op zoek naar een onderwerp, ‘want het is weer eens tijd voor een stukkie’.)


Ik begon met het uitlezen van Willem Frederik Hermans Volledige werken 11. Beschouwend werk (De Bezige Bij, Amsterdam 2008). Een fijn boek, meer zeg ik er nu niet over – om maar meteen goed te beginnen. Iets dieper ingaan op dit boek zal ik in mijn binnenkort, dat wil zeggen in de loop van de komende week, te publiceren Boekentoptien 2008, waarin het een plaats inneemt.


Hierna las ik Maurice FeraresMoussebilines. Vrijwilligers voor de dood (Uitgeverij Abigador, Arnhem 2007). Over deze door de revolutionair-socialist Ferares geschreven min of meer sleutelroman, die handelt over de Algerijnse vrijheidsstrijd en het in Nederland gehouden “valsemuntersproces” tegen twee kopstukken van de internationale trotskistische beweging (Michel Raptis en Sal Santen), is een uitgebreide bespreking in voorbereiding, ter publicatie in het eerste Jaarboek voor revolutionair-socialistische theorie, analyse en geschiedenis; en wellicht ook op dit blog. Vooralsnog wil ik volstaan met het globale oordeel: een spannend en vooral boeiend boek, dat echter bol staat van de kromzinnen – wat in ieder geval bij mij het leesplezier toch wel enigszins vergalde. Maar toch: lezen.


Herman de Regt & Hans Dooremalen Wat een onzin! Wetenschap en het paranormale (Uitgeverij Boom, Amsterdam 2008), is het werk dat ik hierna ter hand nam. Een prettig leesbaar boek, waarin op grond van wetenschappelijk onderzoek de vloer wordt aangeveegd met onder andere mediums, homeopathie en intelligent design; en waarin wordt aangetoond dat Pim van Lommel een oplichter is, met zijn geëmmer over bijna dood ervaringen die zouden bewijzen dat een bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan bestaan en functioneren. De Regt en Dooremalen laten zien dat Van Lommel welbewust de boel bedondert door zich te beroepen op wetenschappelijke publicaties die bij nalezing het tegenovergestelde blijken aan te tonen van wat Van Lommel beweert dat ze aantonen. Met andere woorden: Van Lommel is een leugenaar en een oplichter. Ook interessant is het hoofdstuk waarin de schrijvers proberen te verklaren waarom mensen behoefte hebben aan het geloven van aperte onzin. Het zou wel eens te maken kunnen hebben, stipuleren ze voorzichtig, met een evolutionair voordelige overlevingsstrategie: het leggen van verbanden tussen de dingen (en verschijnselen) die je om je heen waarneemt. Wie hierover meer wil weten leze hoofdstuk 6 van het boek Wat een onzin!, of het in de noten en literatuurlijst genoemde boek van L. Wolpert Six Impossible Things Before Breakfast. The Evolutionary Origins of Belief (Faber & Faber, London 2006). Ik ga dat boek binnenkort aanschaffen, dus over deze theorie later meer op dit weblog. Tot slot gaan de schrijvers in op de (on)verenigbaarheid van wetenschap en geloof in een god. Een zwak hoofdstuk, waarin ze niet de voor de hand liggende atheïstische conclusie trekken, maar ook ruimte laten voor het agnosticisme – en dit is in volledige tegenspraak met alles wat ze in de rest van het boek wetenschappelijk onderbouwd betogen. Jammer, maar desalniettemin is dit boek een aanrader voor iedereen die zich verzet tegen het hedendaagse modieuze gezweef. Ook voor zwevers, of new agers, of hoe ze zich ook maar noemen, is dit boek een aanrader; maar helaas leest dat soort mensen nooit iets dat tegen hun geloof ingaat.
Over de laatste twee boeken die op Schier las morgen, anders wordt dit een wel heel lang stukje.