Posts tonen met het label Bloemendaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bloemendaal. Alle posts tonen

donderdag 15 juli 2010

Vierde deel: ons huis en de buren


Acacialaan 14, Bloemendaal. Mijn geboortehuis. Een twee onder één kap: de rechterkant van het huis, daar woonden wij. Op de eerste verdieping is een balkon te zien, links daarvan ramen. In de kamer achter die ramen, de ouderlijke slaapkamer, kwam ik ter wereld op 9 januari 1962.
Hier woonde ik tot ik in augustus 1981 naar Groningen verhuisde.
De linkerhelft van het huis, nummer 16, op de foto grotendeels aan het gezicht onttrokken door bosschages, werd bewoond door het echtpaar Galenkamp. Meneer Galenkamp had een stijf been, dat korter was dan het buigbare exemplaar. Om geen last te hebben van het lengteverschil droeg hij altijd een schoen met een enorm dikke zool, waardoor zijn voet wel wat weg had van een hoef, wat mijn opa eens deed opmerken dat Galenkamp een paardenpoot had. Dit knoopte ik in mijn oren, en op een dag vroeg ik meneer Galenkamp: ‘Heeft er een paard in je voet gebeten?’
Meneer Galenkamp dreef mijn vader tot de waanzin met een dagelijks op de piano ten gehore gebrachte compositie, waarschijnlijk van eigen hand. Mijn vader vervloekte de melodie, die bovendien niet al te getalenteerd werd uitgevoerd, maar er was geen ontkomen aan: de piano was tegen de tussenmuur met onze woning geplaatst. Ook de hebbelijkheid van buurman Galenkamp om in zijn tuin hangende takken van struiken uit onze tuin na het snoeien over de schutting te werpen, droeg niet bij aan warme gevoelens jegens hem. Meneer Galenkamp was getrouwd met de enige allochtoon in de Acacialaan: de zich noemende Frau Kalenkampf. Een Duitse.
Als afscheiding stond er “in mijn tijd” een houten hek tussen onze voortuin en de stoep. Dat hek heb ik ooit, op een uitermate zonnige dag, op verzoek van mijn vader gecarbolineerd. Onder de brandblaren zat ik, want carbolineum en zon gaan niet samen met blote huid. Uiteraard wist mijn vader dit niet – hij was een klusser van lik mijn vestje. Ik zal nooit vergeten dat hij een keer bezig was met verfafbijtspul, een agressief goedje dat hij met een kwast aanbracht. Tijdens deze werkzaamheden ging hij wat driest te werk, en een druppel van het spul vloog in één van zijn ogen. Met zijn hand voor dat oog spurtte hij over het zijpad richting keuken, richting kraan, onderwijl luid roepend: ‘Ik word blind! Ik word blind! Ik word blind!’
In de voortuin stond, midden op het grasveld, een lijsterbes. Over die boom schreef ik in K-1, van de schoonheid en de kracht:
Ondanks dat ik nooit heb gebokst, ben ik wel een keer knock-out gegaan: als negen- of tienjarige zat ik in de boom voor ons huis een hut te construeren. Dat ik geen geboren doe-het-zelver ben werd duidelijk toen het door mij bevestigde plankier waarop ik bezig was kantelde, en ik met mijn hoofd vooruit een meter of drie omlaag viel. Ik kwam op mijn kop terecht en was van de wereld. Mijn moeder bracht me weer bij met een nat washandje, en het eerste dat ik zei was: ‘Godverdomme!’ – ik dacht namelijk dat ik sliep en dat iemand mij wakker maakte door water in mijn gezicht te gooien.
Op nummer 12 woonde de familie Arnold, een gezin waar uiterst bekakt werd gesproken. De zoon des huizes, Alf, studeerde in Leiden. Tijdens een weekendbezoek aan zijn ouderlijk huis begroette hij mij een keer met de woorden: ‘Zeu, Kaerel.’ Waarop ik zei: ‘Zeu, Elf.’ Hij heeft maanden niets tegen me gezegd. Ook zijn moeder sprak met een pan hete aardappels in de keel: met een vriendje schoot ik ooit, om de verveling te verdrijven, vanuit een verdekte positie (de wc op de eerste verdieping) met een luchtpistool kogeltjes op één der ramen van de Arnolds. Elk raak schot gaf een harde tik. Na enkele treffers trok mevrouw Arnold de voordeur open en riep: ‘Wie is daer?’ Waarop mijn vriendje vroeg: ‘Is ze Engels of zo?’

(wordt vervolgd)

vrijdag 9 juli 2010

Derde deel: kerken en kak

Vanwege de bloedhitte dirigeer ik de Verloofde over de Vijverweg, die volgens mij altijd in de schaduw ligt. De weg is boomrijk, maar toch niet zo donker als ik mij herinnerde. De architectuur is wisselend van kwaliteit: het eerste dat de Verloofde ziet is de afschuwelijk lelijke gereformeerde kerk, van waaruit radio Bloemendaal diensten de ether in slingerde ten behoeve van bedlegerige of anderszins immobiele bejaarde en zieke gelovigen.
Even verderop ontwaart de Verloofde een prachtig pand, dat volgens haar wel van Rietveld zou kunnen zijn. (Enig speurwerk op internet leidt tot deze kennis: het gebouw stamt uit 1930 en werd ontworpen door J.H. Groenewegen.)

Dit mooie witte gebouwtje was vroeger een kleuterschool: de montessorischool. De tuin erachter, met destijds klimrek en zandbak, grenst aan het park in de Acacialaan tegenover het huis waarin ik geboren werd en opgroeide. Vanuit dit park klommen we regelmatig over het hek de tuin van de montessorischool in, waarna we via bomen op het platte dak aan de achterzijde klauterden. Daarbij werden we een keer betrapt door de boven de school wonende uitbaatster, die mijn ouders belde. Hierover was ik zo verbolgen, dat ik enige tijd later een door de melkboer voor de deur neergezette volle melkfles voorzichtig opende, er krachtig in roerde met een door de hondenpoep gehaald takje, en de fles vervolgens weer zorgvuldig afsloot. Ik troost me met de gedachte dat ik dermate fanatiek had rondgeroerd, dat de melk enigszins verkleurd was en dat er dus waarschijnlijk niet van gedronken zal zijn.
Vanuit de Vijverweg slaan we de Popellaan in, vlakbij mijn geboortehuis inmiddels. In de Popellaan is de vrij katholieke kerk gevestigd, een kerkgenootschap waarvan niemand die ik ernaar vraag ooit gehoord heeft – oud-katholiek, dat is nog wel bekend; maar vrij katholiek?

De kerk werd min of meer “bekosterd” door de ernaast wonende Bram en Toet Weill, vrienden van mijn ouders. Mevrouw Weill was bibliothecaresse in de destijds aan de Vijverweg gevestigde openbare bibliotheek, die ik wegens vrijwel uitgelezen al op jonge leeftijd verruilde voor de openbare bibliotheek in Haarlem. Het gebouwtje van de openbare bibliotheek, schuin tegenover de lelijke gereformeerde kerk, en al evenmin een toonbeeld van architectonisch vernuft, heb ik tijdens onze wandeling over de Vijverweg niet gezien – zo dringt tot me door wanneer we voor het huis van Weill staan. Waarschijnlijk werd het afgebroken na verhuizing van de bieb naar de huidige locatie: de plek waar vroeger de katholieke kerk stond waarin Bomans’ uitvaartdienst plaatsvond. Op diezelfde plek, naast de nieuwe bibliotheek, verrees een complex bejaardenwoningen waarin Bram en Toet Weill zich vestigden: misschien kon Toet niet zonder grote verzameling boeken in haar omgeving.
Nu ik het toch over boeken heb: met de herlezing van De keldergang der heren ben ik inmiddels gevorderd tot pagina 102. En in de ter gelegenheid van de Bomanstentoonstelling uitgegeven catalogus Godfried Bomans. Schrijver tussen kunstenaars wordt bewezen wat ik in mijn vorige blogje schreef: op bladzijde 51 is sprake van de “Ing. Bispincklaan”.

maandag 5 juli 2010

Tweede deel: Ign. Bispincklaan

Na een korte stop op het terras van café Vreeburg, diende de reis langs de plekken van mijn jeugd voortvarend ter hand te worden genomen en dus wandelden de Verloofde en ik puffend door een nogal overdreven zonbeplast Bloemendaal. Bij het inlopen van de Ign. Bispincklaan vertelde ik de Verloofde, dat je kan horen aan hoe iemand de straatnaam uitspreekt of je met een inboorling van doen hebt. Ik wees haar op het bordje – Ign. Bispincklaan – en vroeg haar hoe de laan heette. Ze las de naam, trok haar wenkbrauwen op, las de naam nogmaals en zei: ‘Nee, dat kan niet – ie gee en. Moet dat ingenieur zijn?’ ‘Zie je wel,’ sprak ik zelfvoldaan. ‘Nee, het is de Ignatius Bispincklaan.’
In die Ign. Bispincklaan bevond zich het hoofdkantoor van het PEN, het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland, waar mijn vader werkte – dat het zo’n prachtig gebouw was, is mij als kind altijd ontgaan.

Als klein jongetje ging ik mijn vader dikwijls ophalen van zijn werk, en in afwachting van zijn buitenkomst klauterde ik vaak op het muurtje dat zich bij de ingang bevond. Zo ook op een goede dag in december 1971. Terwijl ik op het muurtje lag, werd ik aangesproken door een man en een vrouw die mij vroegen of ik wist waar de katholieke kerk was waar de afscheidsdienst voor Godfried Bomans werd gehouden. Ik heb ze de goede weg gewezen.
Het muurtje staat er nog, maar is inmiddels volkomen overwoekerd door klimop, zoals op onderstaande foto te zien is. En passant maakt deze kiek duidelijk waarom ik altijd mijn uiterste best doe om vooral niet lachend te worden vastgelegd op de gevoelige plaat: ik lijk wel een debiel (‘toch mooi dat die mensen altijd zo’n plezier hebben’).